Muziekcultuur in China: toen en nu

Toen ik in 2005 voor het eerst in Beijing kwam, werd ik meteen gegrepen door de bruisende en opkomende muziekcultuur. In verschillende livehouses in de stad kon je vrijwel dagelijks concerten van bekende en minder bekende bands bijwonen. Een entreekaartje kostte toen rond de 2-3 Euro.

Ook al heb ik de allereerste golf van de opkomst van rockmuziek in China in de jaren ’80 gemist (lees daarover hier meer), midden jaren ’00 gebeurde er nog genoeg op dat gebied. Ik vond het fantastisch om mezelf in die wereld te begeven en de opkomst van onder andere muziekfestivals in China direct mee te maken.

Eén van de bands die me daarin het meest heeft gegrepen, is Second Hand Rose (Èrshǒu Méiguī). Second Hand Rose combineert traditionele muziekinstrumenten (de suǒnà) en cabaret/zang (Èrrénzhuàn) uit het Noordoosten van China met moderne rockmuziek. Toen frontman Liang Long begin jaren ’00 vanuit het hoge Noordoosten van China naar Beijing kwam en deze nieuwe mix van traditioneel en modern introduceerde, duurde het niet lang voordat hij de lokale rockwereld veroverd had. Alles aan zijn stijl was vernieuwend, en zijn teksten waren doorspekt met seks en anti-politiek.

Centraal hierin stond dat Liang Long optrad in drag; hij kleedde zich tijdens optredens als vrouw. En dat tot in detail, met lang haar, rode panties en traditionele qípáo jurken. In de Èrrénzhuàn, waarvan het traditionele ritme wordt gebruikt in de muziek van Second Hand Rose, kleedden mannelijke artiesten zich  vaak als vrouw. Wanneer zij als vrouw optraden, werden zij in wezen een ander persoon en als zij in deze hoedanigheid commentaar op de heersende politiek gaven, werd hen dat niet persoonlijk aangerekend; ze waren immers een ander persoon op het toneel.

Deze traditionele manier van kritiek op de maatschappij en politiek uiten wordt heel handig ingezet in een aantal nummers op het eerste album van Second Hand Rose. De tekst: “Een groep varkens vliegt door de lucht, een groep piraten verdrinkt aan het strand” is een duidelijke verwijzing naar hoge politici die zich boven de wet verheven voelen, en de moedige ‘gewone’ man die geen kans krijgt in de huidige samenleving. In hetzelfde nummer wordt verwezen naar een uitspraak van Deng Xiaoping tijdens China’s opendeurbeleid in de jaren ’80: “Laat een aantal mensen in mijn land eerst rijk worden“, waarvan wordt gemaakt: “Laat de kunstenaars in mijn land eerst rijk worden“.

Fantastische muziek in een fantastische periode, die ik optimaal heb meegemaakt toen ik in China studeerde. Maar zoals met alles veranderen die dingen, en in China gaan veranderingen altijd net wat sneller dan elders. Het duurde niet lang of Chinese indie-rockmuziek was niet meer een ondergronds fenomeen in de paar livehouses die de stad rijk was, binnen een relatief kleine kring waar je de meeste mensen wel van gezicht kende. Rock in China werd gecommercialiseerd, en is inmiddels mainstream.

Horden muzikanten kwamen naar Beijing om hun geluk te beproeven, waarmee de industrie vooral kwantitatief maar niet perse kwalitatief groeide. Het platenlabel Modern Sky groeide van een klein, gezellig indie-label uit tot het grootste platenlabel van Chinese origine. De festivals werden commercieel; reclame voor kledingmerken en sportdrankjes was op het festivalterrein duidelijker zichtbaar dan de namen van de optredende artiesten.

Met die commercialisering is Chinese indie-rock aan haar eigen succes ten onder gegaan. Al dat langharig tuig dat zich in obscure bars ophoudt en op steeds groter wordende festivals samenkomt zijn immers lastig te coördineren, en waren de overheid een doorn in het oog. De regels voor festivals werden aan banden gelegd. Eén van de eerste dingen die Xi Jinping na zijn aantreden als president in 2013 deed, was deze festivals tot vér buiten de stadsgrenzen verbannen. Ook werden er geen vergunningen meer afgegeven voor festivals tijdens nationale feestdagen, de weinige dagen waarop Chinezen vrij hebben en dus in de gelegenheid zijn om een festival te bezoeken.

Een recente ontwikkeling is dat het ene na het andere livehouse in Beijing, waar de muziek de afgelopen jaren zo is opgebloeid, wordt gesloten. Lees hier daarover meer.

Deze verandering in de Chinese muziekscene had natuurlijk ook haar impact op Second Hand Rose. Een band die te alternatief is om ècht mainstream te worden, maar die binnen de Chinese rockmuziek een stevige positie heeft verworven.

Liang Long schoor zijn lange haar af en treedt niet meer op in drag, maar in willekeurige kostuums die alleen gekozen lijken te zijn om ‘gek’ te doen. De vrij dikke bassist heeft een tijdje met een oranje clownspruik opgetreden en de iele gitarist draagt tegenwoordig vaak jurken, variërend van doorzichtig kant tot flamenco-stijl. Daarmee zijn ze geen vernieuwende muzikanten meer, maar karikaturen van zichzelf die alleen maar uit willen stralen ‘anders’ dan andere bands te zijn. Terwijl dat helemaal niet nodig is; Second Hand Rose wàs altijd al anders.

Ook de teksten werden minder diepgaand. Van nieuwere albums lijken de teksten meer gericht op het schokeffect dan dat er politieke of maatschappelijke boodschappen in zijn verwerkt. Het is heel jammer dat het aanvankelijke middel (optreden in drag en maatschappijkritiek in teksten verwerken) inmiddels een doel op zich lijkt te zijn geworden.

Aan de ene kant betreur ik dat er een einde is gekomen aan een mooi tijdperk, waar ik soms met weemoed aan terugdenk. Maar aan de andere kant kan ik hierin ook Dr. Seuss aanhalen omdat ik er toch mijn bescheiden rol in heb mogen spelen: “Don’t cry because it’s over, smile because it happened“.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s